Meten en inventariseren

Voor controle zijn er drie methoden:

  1. Stralingsbadge
    De controle van A- en B-werkers vindt plaats met stralingsbadges, geleverd door een dosimetriedienst. Nederland kent een aantal organisaties die dosimetriedienst zijn. Een stralingsbadge wordt periodiek uitgelezen, waarbij de opgelopen straling van de afgelopen periode gemeten wordt (zie ook Normen).  
  2. EPD
    Daarnaast is het mogelijk dat een werknemer wordt voorzien van een elektronische persoonsdosismeter (EPD). Met een EPD kan ook ioniserende straling worden gemeten, deze bevatten een scherm waarop de actuele dosis kan worden afgelezen. Een EPD kan worden gebruikt indien er nog geen stralingsbadge beschikbaar is of bij speciale werkzaamheden met een eventuele hoge dosis. Ook voor werknemers die zwanger zijn kan een EPD uitkomst bieden. De dosis voor het ongeboren kind is dan direct inzichtelijk en kan voor veel geruststelling zorgen bij de aankomende moeder.
  3. Ruimtedosismeting
    Een derde mogelijkheid voor het meten van stralingsbelasting is het gebruik maken van ruimtedosismeting. Hiertoe worden 1 of meerdere dosismeters in een ruimte aangebracht die constant de stralingsdosis meten. Aan de hand van werktijden en bezetting van de ruimte kan dan indirect de stralingsbelasting voor de medewerker worden bepaald. Een dergelijke indirecte manier van stralingsbelasting bepaling kan voor de controle van C-werkers worden ingezet.

Risicoanalyse

A- en B-werkers worden geclassificeerd aan de hand van de te verwachte stralingsdosis voor de werknemer. Deze verwachte stralingsdosis moeten worden bepaald aan de hand van een risicoanalyse, waarin de uit te voeren werkzaamheden en eventuele incidenten in meegenomen moeten worden. Belangrijk daarbij is dat de risicoanalyse niet op basis van badgemetingen uit het verleden wordt gebaseerd, maar op te verwachten werkzaamheden en blootstellingen.