Gasfleswagen

De gasfleswagen is een middel om veilig transport van gasflessen te garandren. De afmeting van de gasfleswagen moet in verhouding staan tot de afmeting van de gasfles; vervoer van flessen met te kleine wagentjes en - wieltjes vergroot de kans op omvallen. Vooral het reduceerventiel is dan kwetsbaar; verwijder dus altijd het reduceerventiel bij transport. Transport van gasflessen groter dan 5 liter naar de werkplek moet zo mogelijk worden beperkt; in de richtlijn CP 16-3 staat dat in laboratoria in principe slechts kleine gasflessen (5 liter of kleiner) aanwezig mogen zijn. Bij grotere volumina moeten de flessen bij een calamiteit snel en eenvoudig te verwijderen zijn. Voor giftige/corrosieve gassen geldt dat volumina niet groter mogen zijn dan voor het experiment strikt noodzakelijk.

Type risico:
Gevaarlijke stoffen
Kenmerken:
Transport
Niveau maatregel:
Bronaanpak
Randvoorwaarden:

Gasflessen worden bij voorkeur buiten het laboratorium opgesteld. De gassen worden vanaf de flessen naar de werkruimte geleid met behulp van vaste metalen leidingen met zo weinig mogelijk koppelingen. Het aantal gasflessen in het laboratorium wordt zoveel mogelijk beperkt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van distributienetten.
Als opstelling van gasflessen buiten het gebouw niet mogelijk is, wordt extra ruimte gereserveerd voor de opstelling binnen het gebouw, bij voorkeur in speciale geventileerde kasten of nissen die brandwerend van de werkruimte zijn gescheiden. Gasflessen in werkruimten hebben een zo klein mogelijke inhoud (bij voorkeur << 5 liter).Bij centrale opstellingen van meer gasflessen zijn voorzieningen getroffen waarmee de gastoevoer centraal of op afstand kan plaatsvinden.Een goed werkend registratiesysteem maakt duidelijk waar zich welke gasflessen bevinden. Dit maakt het tevens mogelijk om gasflessen af te voeren voordat de keuringsdatum wordt overschreden. Het vervoer van gasflessen (ook de afvoer bij een calamiteit) verdient voldoende aandacht. Om veilig met gasflessen te kunnen werken is kennis van de risico’s bij de gebruiker een vereiste. Wie met gasflessen gaat werken, wordt dan ook geïnstrueerd.Voorkomen moet worden dat een gasfles bezwijkt en grote hoeveelheden van een giftig of brandbaar gas ontsnappen. Het afbreken of niet goed functioneren van de afsluiter of het reduceerventiel kan tot grote risico’s leiden. Verder kan een gasfles bezwijken of lek raken door:• onoordeelkundig, onvoorzichtig of oneigenlijk gebruik van de gasfles of hulpstukken;

  • onvoldoende onderhoud;
  • verkeerde opslag;
  • onjuiste materiaalkeuze van de hulpstukken;
  • gebruik van gasflessen waarvan de geldigheidsduur van de keuring is verstreken;
  • te hoog vulgewicht;
  • te hoge temperatuur, als gevolg van kunstmatige verwarming;
  • vervoer zonder beschermkap;
  • slechte kwaliteit of onjuist aanbrengen van aansluitleidingen.

 
Er worden instructies verstrekt over het veilig gebruik van gasflessen. De flessen worden altijd vast opgesteld met een beugel of ketting en zijn zodanig opgesteld dat de temperatuur niet boven 45 ˚C of onder -20 ˚C kan komen. Bij het maken van aansluitingen aan gasflessen wordt speciaal aandacht geschonken aan de materiaalkeuze, de soort draad van de gasfles en aan de afsluiters en reduceerventielen.

Er zijn geen reacties gevonden.
Reactie:
Naam:
Email:
Bestrijd spam! Vul het anti spam getal zes in.